Het klokhuis | Hoogvliegers

Met zelfgebouwde vleugels zal een testvlieger een rondje boven de stad gaan vliegen… als hij zijn hoogtevrees tenminste kan overwinnen.

EXT. TORENFLAT — DAK (LIMBO)


De betonnen dakrand van een torenflat tegen een blauwe hemel.

TECHNICUS (O.S.)

Ohohoh! Wat een uitzicht!
Onbevreesd stapt een TECHNICUS naar de rand en kijkt rond.

TECHNICUS (CONT.)

Kijk, dat is Zoetermeer en daar ligt Rotterdam!

TESTVLIEGER (O.S.)

SJESUSMINA…
Een bloednerveuze TESTVLIEGER verschijnt: leren piloten-helm, ‘MANFLY’ op zijn T-shirt en beweegbare vleugels aan z’n armen.

TECHNICUS (VERVOLGT)

En daar vlieg jij straks overheen! Bofkont!
Amicaal slaat hij de TESTVLIEGER op de schouder en die moet wild met zijn gevleugelde armen zwaaien om niet te vallen.

VLUCHTLEIDER (V.O., DOOR PORTOFOON)

Staat ie klaar?

TECHNICUS (IN PORTOFOON)

Zeker weten. Hij is al aan het warmdraaien.

VLUCHTLEIDER (V.O.)

Mooi, dan kunnen we beginnen.

TESTVLIEGER

Wamoetikdoen-wamoetikdoen?

TECHNICUS

Eerst vlieg je naar de oude kerk en doe je een rondje om de toren. Dan scherp naar het westen, pas op voor de hoogspanningskabels en binnen een minuutje of vijf, zes ben je hier weer terug. Dat is alles.

VLUCHTLEIDER

DRIE… TWEE…

TESTVLIEGER

Kerk-kerk-welke-kerk?!…

VLUCHTLEIDER (V.O.)

EEN EN… GOOOO!
Roerloos staat de TESTVLIEGER in zijn vlieghouding. Stilte.

VLUCHTLEIDER (V.O., CONT.)

Ik zie nog niks.

TECHNICUS (TEGEN TESTVLIEGER)

Je mag, hoor.

TESTVLIEGER

(piept) Stel dat het foutgaat.

TECHNICUS

(stomverbaasd) Wat kan er nou foutgaan?!

VLUCHTLEIDER (V.O.)

De vangploeg wordt ongeduldig.

TECHNICUS (VERVOLGT)

We hebben dit jarenlang getest!

TESTVLIEGER

Met fruitvliegjes en parkieten, ja!

TECHNICUS

Dus?! Ben jij minder dan een fruitvlieg of zo? Als zelfs een mug kan vliegen, hoe moeilijk kan het dan zijn?!

VLUCHTLEIDER (V.O.)

Hij is toch niet aan de achterkant gesprongen, want dan zit hij nu op Schouwen-Duiveland.
Angstig kijkt de TESTVLIEGER over de rand in de diepte.

TESTVLIEGER

Waarom moet het meteen van een flat?! Laten we het eerst ‘ns op de grond proberen.

TECHNICUS

Niet omlaag kijken, je moet OMHOOG! En daar kom je alleen door te wapperen.
De TESTVLIEGER wappert weinig overtuigd met zijn vleugels.

TECHNICUS (CONT.)

Harder! Harder! En kijk naar de lucht!
De vleugels gaan steeds krachtiger op en neer.

TECHNICUS (CONT.)

Nu is het misschien even wennen, maar straks weet je niet beter. Dan is vliegen net zo gewoon als fietsen of zwemmen!

TESTVLIEGER

JA, HET LUKT! HET LUKT!

TECHNICUS (IN PORTOFOON)

Wij zijn er helemaal klaar voor.

TESTVLIEGER

IK BEN EEN ALBATROS! EEN ADELAAR!

VLUCHTLEIDER (V.O., VIA PORTOFOON)

Laat hem maar komen!
Fladderend met zijn vleugels springt de TESTVLIEGER van het dak.

TECHNICUS

(enthousiast) OMHOOG! OMHOOG! OM…
Hij staart in de diepte. Stilte.

TECHNICUS (IN PORTOFOON, CONT.)

Hebben wij die parkieten nog?

Het klokhuis | De hond de baas

Een klant van het dierenasiel moet eerst zelf een hondenparcours afleggen voordat hij een hondje krijgt toegewezen.

EXT. DIERENOPVANG

Een bord: DIERENOPVANG. Daaronder gaat een deur open en een ASIELMEDEWERKER gevolgd door een keurige MENEER op leeftijd, komt naar buiten en loopt om het gebouw heen.

MENEER

Ik zoek een lieve hond. Vriendelijk voor kinderen, maar toch waakzaam. Zoals een Labrador of een Drentse Patrijs.
Achter de dierenopvang is een hondenparcours uitgezet.

MEDEWERKER

Ik zal kijken wat ik voor u kan doen. Gaat u hier maar overheen.
Hij wijst een evenwichtsbalk aan en start een stopwatch.

MENEER

Waarom?

MEDEWERKER

Dan kunnen we zien voor welke honden u in aanmerking komt. Uw tijd loopt.
Voetje voor voetje loopt de MENEER over de evenwichtsbalk. De MEDEWERKER stopt zijn klok en maakt een notitie.

MEDEWERKER

Mja, een hazewind kunt u wel vergeten. Volgende.
Hij knikt naar een slalom met paaltjes en haalt een fluitje tevoorschijn.

MENEER

Maar kan ik niet gewoon langs de kooitjes lopen en een hondje aanwijzen?

MEDEWERKER

Wij geven onze honden niet zomaar mee, meneer. We willen wel weten waar ze terechtkomen. Op mijn teken.

MENEER

Maar dit is toch—
FIEIET-FIEIET! De MEDEWERKER blaast ritmisch op zijn fluitje en de MENEER springt van paaltje tot paaltje.

MEDEWERKER

Ai-ai-ai. Geen terriër voor u. Misschien bent u meer een type voor een teckel.
Hij gebaart naar een loopwip en verontwaardigd en volkomen buiten adem beklimt de MENEER de bewegende plank.

MENEER

Ik kom voor een hond! Niet voor een conditietest!

MEDEWERKER

Ik merk dat u stress slecht hanteert. Wordt u daarvoor behandeld?

MENEER

WAT GAAT U DAT NOU AAN?!
Hij breekt bijna zijn nek op de loopwip en de MEDEWERKER maakt een notitie.

MEDEWERKER

Daar kan ik mijn teckels echt niet aan blootstellen. De tunnel, alstublieft.
De MENEER staat voor een boogvormige hondentunnel.

MENEER

Nee! Dat verdom ik! Daar ga ik niet doorheen. Dit moet een hond doen! Niet z’n baas!

MEDEWERKER

Dus u laat uw hond in de steek? Goed dat we daar nú achterkomen en niet als hij straks langs de kant van de weg wordt gedumpt!
Woedend zakt de MENEER alsnog op zijn knieën en als een bobbel zien we hem door de tunnel schuiven.

MENEER (O.S., VANUIT TUNNEL)

Dit is mooi de laatste keer dat ik naar een asiel ga! Zielige hondjes, ha! Denk je een keer goed te doen, krijg je dit!
Aan het einde van de tunnel staat de MEDEWERKER hem al op te wachten en drukt zijn stopwatch in.

MEDEWERKER

Iedere hond doet dit binnen vijf seconden. Die kunt u helemaal niet bijbenen.

MENEER

DAAROM ZITTEN ZE OOK AAN EEN RIEM!

MEDEWERKER

Tja, lastig. Maar ik geef u nog éen kans. Klaar voor de start?
Hij staat naast een schuine plank van minstens anderhalve meter hoog en fluit: FIEIET! De MENEER ontploft.

MENEER

NEE! VERGEET HET MAAR!

MEDEWERKER

Dan kan ik helaas weinig voor u—

MENEER (ONDERBREEKT)

O, JAWEL, MANNETJE! NU LUISTER JIJ NAAR MIJ! NOG ÉEN KEER FLUITEN EN IK RAM DAT KRENG IN JE STROT! BEGREPEN?!!
Stilte.

MEDEWERKER

Heel goed. Duidelijkheid, structuur, daar houden honden van. U krijgt van mij een Labrador.
De MEDEWERKER loopt richting kennels en de MENEER kijkt hem met grote ogen na.

Het klokhuis | Buffelmozarella

De aanschaf van een waterbuffel veroorzaakt de nodige relatieproblemen tussen een boerenechtpaar.

int. therapieruimte

Een driezitsbank met rechts een introverte BOER en helemaal aan de andere kant een verdrietige BOERIN.

BOERIN

Nee, het gaat niet goed. Het gaat helemaal niet goed.

THERAPEUT (O.S.)

(zalvend) Vertel het maar gerust, samen komen we d’r heus wel uit.
In een fauteuil tegenover het tweetal zit een RELATIE-THERAPEUT met een schrijfblok op zijn schoot.

BOERIN

Hij ziet me gewoon niet meer staan, m’n man. Altijd met z’n hoofd bij die ander!

THERAPEUT

Och, misschien lijkt dat maar zo?

BOERIN

Hele avonden is hij weg! En dan weet ik gewoon… ik voel het… (Furieus) hij zit weer BIJ DIE KOE!
Ze werpt een giftige blik naar de BOER, die zich hoogst ongemakkelijk voelt.

THERAPEUT

(sust) Nou-nou-nou, niet schelden!

BOERIN

Maar het is echt zo: een ordinaire koe.

BOER

Ach welnee, mens. (Tegen therapeut) Het is een ‘waterbuffel’.
Even is de THERAPEUT van zijn apropos gebracht.

BOER (CONT.)

Die heb ik vorige maand gekocht en ze lijkt helemaal niet op m’n andere koeien.
De THERAPEUT knikt ‘begripvol’ en schrijft iets op zijn kladblok. De BOERIN buigt zich vilein naar hem toe:

BOERIN

‘Florence’ noemt hij haar!

BOER

ZO HEETTE ZE AL! ZO HEETTE ZE AL!

BOERIN

De rest heet gewoon Berta éen tot-en-met vijftig, maar haar noemt hij ‘Florence’!

BOER (TEGEN THERAPEUT)

(verontwaardigd) Ze komt uit Italië en daar is dat heel normaal!

BOERIN

En mevrouw krijgt geen hooi of bietenpulp, o nee, eikebladsla en kropjes lollo biondo!

BOER (TEGEN THERAPEUT)

Ze is nog niet gewend aan ons eten!

BOERIN

En die voert hij dan met de hand!
Stilte. De THERAPEUT staart naar zijn aantekeningen.

THERAPEUT

Mja, mja… Zoals ik het begrijp, is uw man gewoon blij met z’n nieuwe koe ehh… waterbuffel. Als ik een auto koop, dan ben ik de eerste maand ook heel blij.

BOERIN

(verontwaardigd) Hij masseert haar!

BOER

NIET! NIET! Ik voelde het vetpercentage!

BOERIN

Ik kwam de stal binnen en daar stond hij… met een flesje massage-olie.
De THERAPEUT kijkt vragend naar de roodaangelopen BOER.

THERAPEUT

Is dat zo? Was u… ‘Florence’ aan het masseren?

BOER

(schor) Ze is zo ver van huis, dus geef ik haar een beetje meer aandacht.

BOERIN

(triomfantelijk) ZIET U WEL!

BOER

M’n andere koeien kunnen best gemeen zijn, hoor. En Florence lijkt wel zo’n flinke meid, maar ze heeft maar zo’n hartje!
Een pijnlijke stilte.

THERAPEUT

(zacht) Zegt u eens eerlijk: voelt u meer voor Florence dan voor uw vrouw?

BOER

(beledigd) Wat een belachelijke vraag! Florence is maar een buffel, een beest, niets meer. Hoe komt u daarbij?!
Opgelucht leunt de THERAPEUT achterover in zijn fauteuil.

THERAPEUT (TEGEN BOERIN)

Dan is er niets aan de hand. Het komt wel vaker voor dat mannen helemaal opgaan in hun werk. Dat is geen enkele reden voor ongerustheid.
De BOER en BOERIN knikken en willen het graag geloven. Vanuit de diepte achter het raam klinkt zacht koeiengeloei.

THERAPEUT (CONT.)

Dus geef elkaar maar een pakkerd. Het was gewoon éen groot misverstand-
Verbaasd kijkt hij naar de BOER die is opgestaan en met zijn gedachten heel ergens anders lijkt.

THERAPEUT (CONT.)

Wat is er?…
Vanacht het raam klinkt weer het koeiengeloei.

BOERIN

(gelaten) Dat is Florence. Heeft hij meegenomen van de boerderij.

BOER

(stamelt) Ze mist me. (Loeit) NGOE-OE-OE!

THERAPEUT

Maar…
Oorverdovend loeiend verlaat de BOER de therapieruimte. De THERAPEUT laat zich verbijsterd terugvallen in zijn fauteuil. Stilte.

BOERIN

(zucht) Zo gaat het nou de hele dag.

Het klokhuis | Blindvliegers

De opleiding van de piloten van een verkeersvliegtuig laat nogal te wensen over.

INT. VLIEGTUIG – COCKPIT

Monotoon gebrom van motoren. In een schemerige cockpit liggen een PILOOT en zijn CO-PILOOT te slapen in hun stoelen. Opeens gekraak:

STEWARDESSE

(over intercom) Chantal hier. Koffie is bijna klaar.
De piloot schrikt wakker en kijkt naar buiten: aardedonker.

PILOOT

Zijn we d’r al?
Ook de co-piloot wordt wakker en kijkt slaperig rond.

CO-PILOOT

Huh?

PILOOT

Waar zijn we?

CO-PILOOT

Weet ik veel. Moet jij toch weten?

PILOOT

Hoe dan? Ik zie geen pest.
Beiden turen door de donkere raampjes.

CO-PILOOT

Daar heb je toch instrumenten voor?!
De piloot staart naar het instrumentenpaneel.

PILOOT

Mja… heb ik nooit gesnapt al die lichtjes.

CO-PILOOT

Hoe heb jij je brevet dan gehaald?!

PILOOT

Ach, brevet, wat stelt dat nou voor?! Ik vlieg al 13 jaar zonder.

CO-PILOOT

WAT?!

PILOOT

Geen probleem, hoor. Als je maar overdag vliegt… En met een echte piloot. (Hij grinnikt naar de co-piloot)

CO-PILOOT

Bedoel je mij?! Ik heb ook geen brevet. Nachtblind.

PILOOT

O.
Stilte. Beiden staren in shock voor zich uit. De deur zwaait open.

STEWARDESSE

En hier is de koffie!
Ze geeft beide piloten hun koffie en is meteen weer verdwenen.

PILOOT

Jeetje.

CO-PILOOT

Misschien kan éen van de passagiers vliegen? Zal ik het vragen?

PILOOT

Nee zeg, ik zou me doodgeneren.

CO-PILOOT

Of de verkeerstoren, die kan ons toch naar binnen praten?

PILOOT

Ha! De gedachte alleen al!

CO-PILOOT

Dan hoop ik maar dat die automatische piloot ook landingen doet.

PILOOT

Het zou me verbazen. Nee, ik ben bang dat onze wegen zich hier scheiden.
Hij haalt een parachute vanonder zijn stoel en bindt die op zijn rug.

CO-PILOOT

Een parachute?! Maar dat… dat is…

PILOOT

Adieu! Ik leg beneden wel uit wat er is gebeurd. Motorstorinkje, blikseminslag, zoiets, in ieder geval niet jouw schuld.

CO-PILOOT

Ja, het zal wel. Maar dat vertel ik ze liever zelf.
Ook hij haalt een parachute vanonder zijn stoel tevoorschijn.

PILOOT

Ooooo, boef! Jij hebt er ook éen!

CO-PILOOT

Ach ja, ik voel me nooit veilig, als ik vlieg.
Als beiden naar de deur draaien, zwaait die weer open.

STEWARDESSE

En hier is de suiker!… Waar gaan jullie naartoe?!

PILOOT

Het spijt me, Chantal. Het vliegtuig is niet meer te redden.

CO-PILOOT

We hebben gedaan wat we konden, maar helaas.

STEWARDESSE

Maar de passagiers! Jullie kunnen toch niet zomaar?!

PILOOT

Je hebt gelijk.
Hij grijpt een microfoon.

PILOOT (CONT.)

Dames en heren, hier spreekt uw gezagvoerder. We verwachten enige turbulentie, dus maak uw riemen goed vast. Goede nacht!
Tevreden hangt hij de microfoon terug.

PILOOT (CONT.)

Ziezo. (Tegen co-piloot) Zullen we?

STEWARDESSE

Nacht?!
In een snelle beweging gooit ze de zonwering voor de cockpitraampjes omhoog en het felle daglicht valt naar binnen.

STEWARDESSE (CONT.)

Misschien helpt het als jullie de rolluiken omhoog doen?!
Verbouwereerd kijken de piloten naar de raampjes.

Haarlemse Hofjeskrant | Waan

De oude Petronella Piek klaagt bij het regentencollege dat voortdurend haar spullen worden gestolen.

Waan

In het hofje werd gestolen bij het leven. Niets kon meer buiten blijven staan en zelfs binnen waren je spullen niet veilig. Tenminste, dat beweerde Petronella Piek. In drie weken tijd was de hoogbejaarde vissersweduwe een zak met rogge kwijtgeraakt, twee beddenlakens en een zilveren lepeltje. ‘En daar was ik zo aan gehecht!’ Het arme mens zat met trillende handen voor een viertal regenten met krulpruik en witte bef die haar relaas ontsteld aanhoorden. Natuurlijk, in de buitenwereld tierde de misdaad welig: beurzensnijders op de kermis in de Hout, gauwdieven op de Botermarkt — maar niet in een hofje, waar de oude besjes juist in alle rust hun laatste dagen moesten kunnen slijten. Arent van Beusekom, de anders zo ongenaakbare voorzitter van het college had medelijden met het vrouwtje en de verontwaardiging klonk door in zijn stem: ‘Heeft u enige vermoeden wie dit op zijn geweten kan hebben?’ Nerveus draaide Petronella op haar stoel. Ja, dat had ze wel, maar ze aarzelde. ‘Ik kan het mis hebben.’ — ‘Daar zijn we snel genoeg achter’, verzekerde penningmeester Simon van Styrum haar en er viel een dreigende stilte. ‘Regina Kouwenhoven, onze binnenmoeder’, fluisterde de weduwe bijna onhoorbaar. ‘Ik betrapte haar toen ze door m’n raam naar binnen stond te gluren.’ Onmiddellijk stoof Nicolaas, de zoon van Arent, met wapperend gewaad de regentenkamer uit om de verdachte te halen… maar die stond al te wachten op de gang. ‘Ben ik aan de beurt?’ In een zwart jakje stapte Regina de kamer binnen en even was de spanning te snijden. Petronella schoot omhoog met het schaamrood op haar wangen alsof zij zelf zojuist was gesnapt, en haastte zich naar buiten. Weinig welwillend monsterde Arent de binnenmoeder die met een zucht van medeleven naar de dichtgevallen deur knikte: ‘Tragisch geval, maar dat had u vast al opgemerkt’. De regenten staarden haar aan. ‘U bedoelt?’ Regina ging zitten en tikte veelbetekenend met een wijsvinger tegen haar voorhoofd. ‘Volkomen de kluts kwijt, die Petronella, en de laatste weken wordt het alleen maar erger. Een waterkan bij de pomp, lakens die liggen te bleken op het gras, alles vergeet ze. Gisteren nog een theelepel tussen de aardappelschillen!’ — ‘Vreemd’, bromde Simon, ‘daar beschuldigde zij u juist van’. — ‘Niet alleen mij, maar ook Trijntje Slotemaker en de gezusters Overbeek. Iedereen krijgt de schuld.’ — ‘Maar u stond bij weduwe Piek naar binnen te gluren!’ — ‘Om te zien of ze het vuur wel had gedoofd, want dat laat ze iedere avond branden!’ Onbewust wierp Arent een blik naar de open haard, waar enkele turfblokken lagen te smeulen. ‘Daar heeft ze ons niets van verteld.’ Regina plukte opgelaten aan haar jakje en koos haar woorden zorgvuldig: ‘Je kunt het haar natuurlijk niet kwalijk nemen, maar als er niets verandert, dan gebeuren er ongelukken.’ — ‘Dus wat stelt u voor?’ De binnenmoeder kuchte zenuwachtig: ‘Het is echt vreselijk en ik zou het nooit iemand toewensen…’ — ‘Uw voorstel?’ Arent tikte ongeduldig met zijn vingers op het tafelblad en even bleef het stil. — ‘Moet Petronella Piek niet… naar het dolhuis?’ Met een ruk schoof de penningmeester zijn stoel achteruit: ‘Alsjeblieft zeg, laten we niet te hard van stapel lopen! Die arme stakker is misschien van slag, maar echt niet krankzinnig.’ Simon had het nog niet gezegd of de gangdeur zwaaide open en met een woeste blik vloog Petronella naar binnen: ‘Waar is ’t ie?!’ Geschrokken sprong het voltallige college overeind. ‘Wie?! Wat?!’ — ‘M’n omslagdoek. Wie heeft ‘m gepikt?!’ Met twee gebalde vuisten in haar zij stond de weduwe voor de tafel en keek de regenten priemend aan. ‘Hij was roodgeblokt en hing hier in de gang!’ — ‘Wat moeten wij nou met een omslagdoek?’ Simon probeerde Petronella te kalmeren, maar die was voor geen rede vatbaar. ‘Ik ga niet weg voor ik hem terug heb!’ Na een steels gebaar van zijn vader pakte Nicolaas het razende vrouwtje stevig beet en leidde haar onder luid protest naar buiten: ‘Schamen jullie je niet?!’ Toen haar kreten waren verstomd, schudde Arent berustend zijn hoofd: ‘Ik vrees dat u gelijk heeft. Hier kunnen we de andere bewoonsters niet aan blootstellen. Hopelijk is er plaats in het dolhuis.’ Regina knikte en schuifelde aangeslagen weg, maar vanonder haar jakje piepte de punt van een roodgeblokte omslagdoek.

Haarlemse Hofjeskrant | Macht

Een regent negeert de jarenlange wachtlijst en kiest om dubieuze redenen zelf een nieuwe bewoonster voor het hofje.

Macht

‘Bonjour, mes confrères, daar ben ik dan!’ Parmantig schrijdt MAURITS VAN BERCKENRODE de regentenkamer binnen. Rouge op zijn wangen, roodgeverfde lippen en een weelderige allongepruik tot over zijn schouders. ‘Voila!’ In een wolk van poeder paradeert hij voor een drietal heren in zwarte toga’s met molensteenkraag. Iedereen valt stil. Zelfs JAN HUYDECOPER, een bierbrouwer nota bene. ‘Godallemachtig…’ ― ‘Jazeker, het nieuwste uit Parijs!’ Met bestudeerde zwier slaat MAURITS zijn mantel naar achter en ontbloot een bontgekleurde bef. Dat is teveel voor REYNIER SONCK die gierend wegduikt achter een kasboek. – ‘Heb ik iets gemist?’ Wantrouwig kijkt MAURITS de tafel rond, waar alleen de jonge COEN HASSELAER zijn gezicht nog in de plooi houdt: ‘Nee hoor, de financiën hebben we doorgenomen, nu nog een nieuwe bewoonster.’ – ‘En die hebben we ook al.’ REYNIER laat zijn register half zakken: ‘Aletta Vinck.’ – ‘Très bien, dan kan ik meteen door naar de Hout!’ De oude HUYDECOPER en REYNIER wisselen veelzeggende blikken. ‘Wij gaan mee!’ Tsja, deze telg van Berckenrode had weliswaar de rijkdommen van zijn voorouders geërfd, maar niet de sociale betrokkenheid en daadkracht waarmee zij het hofje hadden gesticht. ‘Aletta Vinck?’ Bij de deur draait het gezelschap zich om naar COEN, die als enige aan tafel is achtergebleven. ‘Wie is Aletta Vinck?’ Even blijft het stil. ‘Gewoon, een dienstbode van zestig.’ REYNIER haalt zijn schouders op. ‘Ze kan het werk niet meer aan en zoekt onderdak.’ – ‘En waarom krijgt zij voorrang?’ Verwonderd glimlacht REYNIER naar de jonge regent: ‘Was het niet míjn beurt om te kiezen?’ Achter hem staat MAURITS al op de gang: ‘Messieurs, je vous implore!’ COEN vouwt een wachtlijst open: ‘Wat zeg ik dan tegen Sara Martens hier?’ Hij tikt op de bovenste naam. ‘Voordat er weer een huisje vrijkomt, zijn we vier, vijf jaar verder. Waar blijft zij tot die tijd?’ Ongemerkt is de sfeer omgeslagen en ook HUYDECOPER keert terug: ‘Mijn beste, compassie is voortreffelijk, maar heel Haarlem kun je niet redden. Dus zullen we?’ Machteloos spreidt COEN zijn armen: ‘Weduwe Martens moet toch weten waarom ze is gepasseerd? Is ze niet fragiel genoeg? Bent u bang dat ze te lang blijft leven?!’ Geamuseerd schudt HUYDECOPER zijn hoofd: ‘Alstublieft zeg, gaan we nu met elkaar wedijveren in rampspoed?!’ – ‘Ik hoef me toch niet te verantwoorden?!’ REYNIER doet geen moeite zijn ergernis te verbergen. ‘Omstebeurt zouden we iemand aanwijzen en ik neem juffrouw Vinck.’ – ‘Waar komt zij vandaan?’ COEN blijft onverstoorbaar. ‘Is zij gereformeerd?’ – ‘Daar ga ik wel vanuit.’ – ‘En verder?’ – ‘Ze was dienstbode…’ – ‘Bij wie? Wat zijn haar referenties?!’ REYNIER plukt aan zijn revers: ‘Aernout van Druyvesteyn.’ Ongelovig staart COEN hem aan. MAURITS komt giechelend weer binnen: ‘Ha-ha, c’est ridicule! Die bezit de halve stad!’ Hij fatsoeneert zijn trompetmouwtjes van zilverkant: ‘Kan hij zelf niet voor haar zorgen?’ – COEN monstert REYNIER spottend: ‘Wat staat ertegenover? Paar vaatjes brandewijn? Een perceel in Spaarnwoude?’ – ‘Wat insinueert u?!’ REYNIERS stem klinkt gevaarlijk zacht. – ‘Of moet Aernout een zetel regelen in het vroedschap? Voor een krentenweger als u?’ – ‘Je vraagt erom, Hasselaer!’ Net op tijd kan HUYDECOPER tussenbeide springen: ‘Heren, heren, laten we in godsnaam het hoofd koel houden!’ – ‘Het wordt Aletta Vinck!’ REYNIER trilt van woede. – ‘Dan weet morgen heel Haarlem wat voor sujet u bent!’ Met gebalde vuisten staat COEN bij het raam. Een geladen stilte. MAURITS sluit de gangdeur: ‘Oh lala… Wat zou mijn overgrootvader wel niet zeggen? Het hofje is voor behoeftigen en niet… Pas bon.’ Met een zucht gaat HUYDECOPER zitten: ‘We zullen er toch uit moeten komen.’ – ‘Mais c’est évident! Een arme weduwe of een dienstbode van de rijkste familie?! Très facile!’ – ‘Goed, dan gaan we stemmen.’ Enigszins gekalmeerd neemt REYNIER weer plaats: ‘Accoord?’ COEN knikt. ‘Wie is er voor Aletta Vinck?’ REYNIER steekt zijn hand in de lucht. ‘C’est immoral! Absurde!’ Hoofdschuddend laat MAURITS zijn afkeuring blijken. Maar naast hem staart COEN geschrokken voor zich uit… naar de opgeheven hand van JAN HUYDECOPER. ‘Jij… jij doet Van Druyvesteyn die gunst…’ Ook MAURITS kijkt stomverbaasd opzij. – ‘… waarvoor… een zetel in het bestuur?’ Zonder een spier te vertrekken kijkt de brouwer rond: ‘Verder niemand voor juffrouw Vinck?’ Het duurt even, maar dan gaat een derde hand aarzelend omhoog. En het hele gezicht van MAURITS lijkt wel overdekt met rouge.

Haarlemse Hofjeskrant | Lust

Grote consternatie wanneer een nieuwe bewoonster bezoek krijgt uit Amsterdam… van een man.

Lust

Een man op het hofje! Bij toeval had Justina hem gezien. Schichtige ogen, verlopen kop, een echte schooier dus en al meer dan een kwartier in nummer zes. Daar woonde sinds kort een Amsterdamse en waren de luiken gesloten. De gladakkers! Maar Stien hield hen scherp in de smiezen en zat met haar 62 jaar weggedoken achter de stenen pomp.
– ‘Doe jij daar nou?!’
– ‘Jezusmina…’ De gluurster wist maar net de zwengel te grijpen en overeind te blijven. Naast haar stond Beppie van Loon in Begijnse dracht.
– ‘Stil mens, anders horen ze ons.’ Stien knikte veelzeggend naar het poorthuis.
– ‘Pleunie Keller, bedoel je, die nieuwe?
– Met een kerel, ja.’
Geschrokken sloeg het begijntje een kruis, alsof ze achter de groenwitte blinden onbeschrijflijke taferelen ontwaarde. ‘Dat moet onze binnenmoeder weten.

– Nee, blijf hier! Anders gaat hij ervandoor en is het straks mijn woord tegen het hare.’ Ze had Beppie bij de mouw gegrepen en trok haar achter de pomp. ‘En het leek zo’n fatsoenlijke vrouw!
– Van buiten misschien’, bromde Justina. ‘Overal strikjes en lintjes, maar kom je dichterbij, dan zie je de gaten in haar kousen.
– Verbaast me niets!’ Naast het tweetal verscheen Neeltje Snoek, de handwerkster van nummer twaalf, waar anders nooit een woord uitkwam. ‘Op het Damrak woonde ze toch? Vlakbij de Karnemelksteeg? Nou, dan weet je wel hoe laat het is.’
Even bleef het stil. Justina en Beppie hadden duidelijk geen idee.

En het leek zo’n fatsoenlijke vrouw

‘Speelhuizen van het laagste allooi en danskamers! Wat denk je dat ze daar de hele nacht doen?!
– Ehh… dansen? – Ha! Met losgeslagen Oost-Indiesvaarders zeker?!’ Het begijntje keek angstig opzij: ‘Toch niet… drinken?
– Daar begint het mee. Brandewijn en Bredaas bier.’ Neeltje snoof. ‘En goedkope wijn met kandijsiroop.’ Stien sloeg een hand voor haar mond: ‘We hebben een drankorgel op het hofje!
– Nee, zij niet. Alleen haar klanten. Zij moedigt slechts aan, tot ze te lam zijn om te lopen…’
Opeens hielden ze alledrie de adem in. Gebonk vanuit het verdachte poorthuis. Er was iets omgevallen. – ‘En dan?’ fluisterde Beppie nauwelijks hoorbaar. ‘Waarom voert zij hen in hemelsnaam dronken?’ Neeltje kreeg bijna medelijden door zoveel naïviteit: ‘Wat denk je… Amour.’ Justina sloeg op haar dij: ‘Ik wist het! Vanaf het eerste moment voelde ik het! Die overdreven vriendelijkheid, dat valse toontje! Zo verleidt ze hen natuurlijk.’ Maar Beppie schudde haar hoofd: ‘Amour, hoezo amour?!’ Neeltje tuitte haar lippen als een klein kind: ‘Hou je van mij, lieverd?’ In haar woorden klonk een onvermoede hartstocht. ‘Geef me dan een aandenken, schatje. Een kettinkje of wat dukaten om jouw liefde nooit meer te vergeten. – En als ze niets krijgt, dan pakt ze het zelf wel,’ onderbrak Justina haar en keek grimmig naar de gesloten ramen: ‘Dan wordt zo’n heerschap uitgekleed tot op het bot. Daar zie ik haar ook nog wel voor aan. – Ach, kom nou toch!’ Onbeheerst veegde Beppie de witte kap van haar hoofd: ‘Pleunie is minstens vijftig en niet om aan te zien! – Nou en?! Geen vent die daarom maalt, hoor, na zeven pullen bier!’ Niemand leek zich af te vragen hoe een kantkloster aan zulke kennis kwam. ‘Ga maar na, Bep. Het kan bijna niet anders,’ beweerde Stien in alle redelijkheid. ‘Waar heeft zij al die jaren dan van geleefd? En waarom moest ze zonodig naar Haarlem? Werd ze in Amsterdam misschien te vaak herkend?’ Beppie liet de woorden op zich inwerken. – ‘Hoe lang is die gast al binnen? – Bijna een half uur.’ Haast triomfantelijk draaide Neeltje zich naar haar buurvrouw: ‘Zie je wel, een beroeps.’ Dat was voor Beppie de druppel. ‘Dit laten we toch niet zomaar gebeuren?!’ Ze deed geen enkele moeite meer haar stem te dempen: ‘Ons hele hofje wordt te gronde gericht door die Babylonische*cocotte*! Met haar afschuwelijke, godslasterlijke…’ Ze keek naar haar buurvrouwen, maar die waren afgeleid – ‘… weerzinwekkende…’ – door Pleuni Keller die zojuist het hofje was binnengekomen. ‘Goedemorgen dames’, klonk het op z’n Amsterdams, ‘alles in orde?’ Het drietal leek wel versmolten met de stenen pomp. ‘D’r zit een man in je huis. – Hm-hm, een schrijnwerker, omdat m’n bedstee zo kraakt.’ In de deuropening was inderdaad een oude meester verschenen en Pleuni snelde toe om hem te bedanken. Onder de verbouwereerde blikken van de achterblijvers. ‘Ja, nou hoorde ik het ook,’ knikte Beppie, ‘echt zo’n vals toontje’.

Haarlemse Hofjeskrant | Genade

Een jonge priester verschijnt aan het sterfbed van Dirc van Bakeness om hem de laatste sacramenten toe te dienen.

Genade

‘Waar is pastoor Roelofs?’ Geschrokken staart Katrijn naar de jongeling op de stoep die buiten adem zijn voorhoofd afveegt en zijn witkanten priesterkleed fatsoeneert. ‘Een hoogmis. Hij moest…’ De dienstmaagd heeft zich al omgedraaid. ‘O, lieve God!’ Met twee, drie treden vliegt ze de natuurstenen hoofdtrap op. En Thomas achter haar aan. Langs eikenhouten ornamenten en wandtapijten uit Vlaanderen, onder het glas-in-loodraam met drie Andreaskruizen. ‘Is hij… Is hij al…’ Met éen hand klemt de pas gewijde priester een riemtas tegen zich aan en probeert de meid bij te houden. Een nauwe gang door, norse portretten voorbij en dan een donkere kamer binnen. ‘Hij is toch niet…’ Thomas valt plotseling stil. Gedaanten in het schemer kijken om. De bejaarde Lijsbeth Florisdochter leunt zwaar op haar oudste zoon: ‘Waar is vader Roelofs?’ Katrijn schudt haar hoofd en de jeugdige priester schuifelt naar voren. Nerveus pulkend aan zijn zwarte stola. Naar het hemelbed overdekt met wollen lakens. En daartussen… een uitgeteerd lichaam, melkwit en zo broos, bijna doorzichtig. ‘Is hij…’ Zonder te antwoorden stapt de jongste zoon opzij en Thomas knielt neer. ‘Gloria Patri et Filio et Spiritui Sancto.’ Koortsig speurt hij naar enig levensteken, terwijl hij vier paar ogen voelt branden. ‘Moet u niet… – Ja, ja, natuurlijk.’ Met trillende vingers haalt Thomas een koperen vaatje tevoorschijn. ‘Per istam sanctam unctionem…’ Hij zalft de samengevouwen handen met Heilige Olie. ‘Indulgeat tibi Dominus…’ Eenzelfde kruisje op het omzwachtelde voorhoofd. ‘Vader, wordt mijn ziel gered?’ Thomas deinst achteruit en een doffe blik volgt hem. ‘Zal mijn geest rust vinden?’ Stilte. Buiten komt een melaatse met zijn ratel voorbij. ‘Absoluut, Dirck!’ Gloedvol buigt Lijsbeth zich naar haar man: ‘Jij hebt jouw talenten verzilverd in dit leven. Hoelang was jij geen deken van het Kerstmisgilde? En oudste schepen? Niemand heeft meer bereikt in Haarlem dan jij.’ Ze legt haar hand tegen zijn wang. ‘Maar de eersten zullen de laatsten zijn, niet priester?’ Met onrustige ogen zoekt de grijsaard steun bij Thomas en die stamelt: ‘Oprecht berouw verschoont iedere zonde. – Mijn vader heeft nooit iets misdaan!’ De jongste zoon is opgesprongen. ‘Jan, alsjeblieft! – Tegen niemand! Behalve misschien die bastaard van Oosterwijck. Maar die vroeg erom, toch?!’ Zijn broer grijpt de knokige hand die in het laken klauwt: ‘Papa, toon berouw in Godsnaam en vraag vergiffenis!’ De oude Dirck hapt piepend naar lucht. ‘Woorden… woorden…’ Zijn zoon drukt een onstuimige kus op beide polsen. ‘Zo wordt u verlost van alle schulden. – Die heeft hij niet!’ Machteloos slaat Jan tegen een bedstijl. ‘Doen… Ik moet iets…’ Het bevende lijf tracht zich op te richten. ‘Dirck, nee!’ Verschrikt schiet Lijsbeth toe. ‘Anders neemt hij me mee… – Wie, papa, wie?’ Met opengesperde mond kijkt Dirck de duistere ruimte rond. ‘Voel je die kilte niet…’ Iedereen luistert. Onbewust tast Thomas naar zijn bidsnoer. ‘Hoor ‘m sluipen… – Heilige Maagd Maria,’ huivert Katrijn. ‘Daar komt hij weer… loeren… en plukken…’ In doodsangst omklemt Dirck zijn oudste kind. ‘Libera nos, Domine, ab omnibus malis! – Troost hem dan,’ smeekt Lijsbeth in tranen. ‘Beloof dat hij behouden blijft.’ Thomas slaat een kruis: ‘Alles ligt in Gods Hand.’ Een kaars flakkert. Uitgeput zakt Dirck weer terug. ‘We zullen bidden voor uw zielerust, papa. En de paupers van Haarlem ook. Toch, priester?’ Thomas aarzelt. ‘Of zijn die hun aalmoezen alweer vergeten? – Ze krijgen onderdak.’ De jongeman kijkt verwonderd opzij. ‘Een gebouw aan de Krocht en de Albstraat… Coen Cuser van Oosterwijck heeft het geschonken.’ Een moment van ontzetting. ‘Die smeerlap!’ Jan trilt van woede. ‘En een stuk pachtgrond onder Houtrijck om het te bekostigen. – Die schoft!’ Buiten zichzelf beent de jongste zoon door het vertrek. ‘In ruil moeten de bewoners bidden voor hun weldoeners tijdens hun dagelijkse mis.’ Lijsbeth kijkt hem aan: ‘Vader Roelofs?’ Thomas knikt. ‘Zelfs nu wil die ploert van Oosterwijck nog de beste zijn.’ Verslagen zinkt Jan neer. ‘Dat armenkoor zal ons gebed overstemmen,’ stamelt zijn broer. ‘Zo vindt papa nooit genade.’ In stilte verzamelt Katrijn de vuile zwachtels: ‘Ik moet… de keuken.’ Ze laat het gezin roerloos achter rond het bed. Buiten kleppert weer een ratel. Thomas aarzelt: ‘Misschien… er is een manier…’ Hij geeft Lijsbeth een document uit zijn tas: ‘Kijkt u zelf maar…’ Als hij is vertrokken, komt Jan overeind: ‘Wat staat er?’ Zijn moeder laat het papier zakken en kijkt hem bedachtzaam aan: ‘Een schets… acht en tweemaal zes… de Dirck van Bakenesse Cameren.’

Haarlemse Hofjeskrant | Erfenis

De regenten hebben een uitbundige begrafenis voor de overleden Cornelia geregeld, toen bekend werd dat zij een fortuin aan het hofje zou nalaten.

Een zoete dood

‘Cornelia Hartesuyker was een braaf besje. Een sieraad voor ons hofje!’ Regent Jeronimus Klarenbeek pauzeerde even alsof de emoties hem teveel werden, hoewel hij het lieve mens nog nooit had ontmoet — niemand van het regentencollege trouwens, maar toch waren ze allemaal naar haar begrafenis in de Nieuwe Kerk gekomen. Zelfs regentes Magdalena Penninck had met droef gezicht aan het graf in de zuidertrans gestaan en was vergeten hoe de andere bewoonsters zich wekenlang bij haar hadden beklaagd: ‘Cornelia behoeft zoveel zorg, wij kunnen het niet meer aan. Stuur haar alstublieft naar het Diaconiehuis!’ Maar zover was het gelukkig nooit gekomen. ‘Een engel is van ons heengegaan.’ Jeronimus hief eerbiedig zijn glas naar de hemel, alsof hij Cornelia daar nog zag zweven — of misschien keurde hij wel de wijn, en alle toehoorders aan de lange tafel in de hoftuin mompelden instemmend, terwijl nieuwe flessen werden opengetrokken en plakken krentenbrood rondgedeeld. Wijn en krentenbrood, toemaar! Jarenlang waren de preuves niet meer verhoogd: drie stuivers per week — hoe moest je daar in Godsnaam van rondkomen? Bovendien hadden ze dit jaar de traditionele zak met zout niet gekregen en moesten hun huisjes worden verwarmd met een zielig hoopje turf. Geen wonder dat de regenten zich de laatste maanden nauwelijks meer in het hofje hadden vertoond. En nu ineens krentenbrood en geen bier zoals gewoonlijk, maar wijn! Voor een armzalig schepsel dat tijdens haar leven nooit iemands aandacht had getrokken. Behalve in haar stervensuur dan. Want toen had Cornelia gefluisterd tegen opzichteres Geertje Dekker: ‘Een legaat… tweeduizend gulden… een tuintje… tachtig roeden… in het Rozenprieel.’ En op haar laatste ademtocht: ‘… alles voor het hofje…’ Natuurlijk was Geertje meteen naar de regenten gesneld, waar het nieuws van Cornelia’s verscheiden met gepaste treurnis werd ontvangen, maar zodra de opzichteres was vertrokken, konden de heren een jubelstemming nauwelijks onderdrukken. ‘Tweeduizend gulden!’ — ‘En een flinke lap grond!’ Na alle jaren van stijgende kosten en onmogelijke bezuinigingen, was zo’n meevaller meer dan welkom. ‘Eindelijk kunnen we de glas-in-lood ramen vervangen!’ — ‘En de oudjes, geven we die nog iets?’ — ‘Natuurlijk! Een zakje zout.’ Terwijl de begrafenismaaltijd nog in volle gang was, gebaarde Jeronimus naar Geertje om alvast te beginnen met de ontruiming van het vrijgekomen huisje. Niet dat hij oneerbiedig wilde lijken, maar hoe eerder hij het legaat in handen had, hoe liever. Magdalena kwam naast hem staan — toch bang dat haar gerespecteerde medebestuurder er met het fortuin vandoor zou gaan. Opeens een opgetogen geroezemoes. Een dampende rollade werd op tafel gezet. ‘Vlees! Echt vlees!’ Even waren de bewoonsters de treurige aanleiding vergeten en schoven vrolijk hun borden naar voren. Verwonderd keek Jeronimus naar de regentes naast hem, maar die haalde haar schouders op: ‘Och, moet toch kunnen, een keertje?’ In de deuropening voor hen was Geertje verschenen met een bundel wasgoed en een stapeltje zwarte jurken. ‘De rest hoort bij het huis.’ Haar woorden leken niet meteen door te dringen. ‘Maar… was er niet meer?’ — ‘Jawel, nog éen jurk, maar daarmee ligt ze in haar kist.’ Ongeduldig stormde Jeronimus de woning binnen om het zelf in ogenschouw te nemen, terwijl Magdalena nauwkeurig de kleding in Geertjes handen uitploos of daar geen papieren waren verborgen. ‘Er moet toch geld zijn of tenminste een eigendomscontract?’ Jeronimus beklopte de ruwe planken van de bedstede en vloog de steile trap op naar zolder. Ondertussen was ook Magdalena binnengekomen en keek verafschuwd om zich heen. Wat een naargeestig hol! De muren waren beschimmeld en het tochtte aan alle kanten. Hoe kon je hier leven? Ontgoocheld sjokte Jeronimus weer naar beneden en zakte op een kruk neer: ‘Geen rooie rotcent. Dat mens kletste maar wat.’— ‘Misschien door de koorts?’ Een ogenblik zwegen beiden verslagen — en dit keer oprecht. ‘O, mijn hemel, hoeveel geld hebben we niet uitgegeven aan die begrafenis? Een kist, een doodskleed, een koets!’ De regent wreef vermoeid in zijn ogen. ‘Zelfs een feestmaal ter ere van dat secreet! Vlug, laten we het vlees weghalen!’ Maar Magdalena bleef voor het raam staan kijken naar de oudjes in de tuin die werden aangespoord door Geertje om het overgebleven voedsel mee te nemen. Opeens voelde de opzichteres zich bespied. Ze draaide zich om naar de regentes achter het raam. En die moest glimlachen.

Flikken Maastricht | Aflevering 39 | Scène 55

INT. POLITIEBUREAU / KANTOOR HOEBEN / DAG

MARION is intussen volledig murw door de eindeloze klaagzang van PIETER HOFMAN. HOEBEN blijft onverstoorbaar glimlachen.

PIETER HOFMAN

En alsof dat nog niet voldoende is, word ik tegen de grond gesmeten!
Hij laat zich terugvallen in zijn stoel.

HOEBEN

(Tegen Marion) Nu mag jij.
Stilte. Buiten het kantoor heerst totale hectiek in de kantoortuin en zijn AGENTEN koortsachtig aan het werk.

MARION

Meneer Hofman…
MARION buigt zich naar voren en zoekt naar de juiste woorden.

MARION (CONT.)

Dat u ons voortdurend klachten stuurt… is heel… heel…
Het gezicht van PIETER verstrakt. HOEBEN kucht.

MARION (CONT.)

… prijzenswaardig.
Stilte. HOEBEN knikt instemmend. PIETER kijkt argwanend.

MARION (CONT.)

Was iedereen maar zo oplettend en zo… betrokken als u.
PIETER draait wat ongemakkelijk op zijn stoel.

MARION (CONT.)

Dan zou de politie het een stuk gemakkelijker hebben.

HOEBEN

Een stuk!

MARION

Dat ik u heb laten vallen, was fout. Fout-fout-fout. Dat had u niet verdiend.
Door de onverwachte toon raakt PIETER van zijn apropos.

PIETER

Ach, ik doe wat ik kan.

HOEBEN

En dat stellen wij zeer op prijs.

MARION (CONT.)

Als ik dat niet meteen liet blijken, dan spijt me dat verschrikkelijk.
Ze pakt haar kaartje en schuift het naar PIETER toe.

MARION (CONT.)

Dus als u weer iets opmerkt… hier, laat het me direct weten.
PIETER knikt. Volkomen uit het veld geslagen door zoveel sympathie. MARION schudt zijn hand en daarna HOEBEN.

HOEBEN

Doen, hoor!