Haarlemse Hofjeskrant | Lust

Grote consternatie wanneer een nieuwe bewoonster bezoek krijgt uit Amsterdam… van een man.

Lust

Een man op het hofje! Bij toeval had Justina hem gezien. Schichtige ogen, verlopen kop, een echte schooier dus en al meer dan een kwartier in nummer zes. Daar woonde sinds kort een Amsterdamse en waren de luiken gesloten. De gladakkers! Maar Stien hield hen scherp in de smiezen en zat met haar 62 jaar weggedoken achter de stenen pomp.
– ‘Doe jij daar nou?!’
– ‘Jezusmina…’ De gluurster wist maar net de zwengel te grijpen en overeind te blijven. Naast haar stond Beppie van Loon in Begijnse dracht.
– ‘Stil mens, anders horen ze ons.’ Stien knikte veelzeggend naar het poorthuis.
– ‘Pleunie Keller, bedoel je, die nieuwe?
– Met een kerel, ja.’
Geschrokken sloeg het begijntje een kruis, alsof ze achter de groenwitte blinden onbeschrijflijke taferelen ontwaarde. ‘Dat moet onze binnenmoeder weten.

– Nee, blijf hier! Anders gaat hij ervandoor en is het straks mijn woord tegen het hare.’ Ze had Beppie bij de mouw gegrepen en trok haar achter de pomp. ‘En het leek zo’n fatsoenlijke vrouw!
– Van buiten misschien’, bromde Justina. ‘Overal strikjes en lintjes, maar kom je dichterbij, dan zie je de gaten in haar kousen.
– Verbaast me niets!’ Naast het tweetal verscheen Neeltje Snoek, de handwerkster van nummer twaalf, waar anders nooit een woord uitkwam. ‘Op het Damrak woonde ze toch? Vlakbij de Karnemelksteeg? Nou, dan weet je wel hoe laat het is.’
Even bleef het stil. Justina en Beppie hadden duidelijk geen idee.

En het leek zo’n fatsoenlijke vrouw

‘Speelhuizen van het laagste allooi en danskamers! Wat denk je dat ze daar de hele nacht doen?!
– Ehh… dansen? – Ha! Met losgeslagen Oost-Indiesvaarders zeker?!’ Het begijntje keek angstig opzij: ‘Toch niet… drinken?
– Daar begint het mee. Brandewijn en Bredaas bier.’ Neeltje snoof. ‘En goedkope wijn met kandijsiroop.’ Stien sloeg een hand voor haar mond: ‘We hebben een drankorgel op het hofje!
– Nee, zij niet. Alleen haar klanten. Zij moedigt slechts aan, tot ze te lam zijn om te lopen…’
Opeens hielden ze alledrie de adem in. Gebonk vanuit het verdachte poorthuis. Er was iets omgevallen. – ‘En dan?’ fluisterde Beppie nauwelijks hoorbaar. ‘Waarom voert zij hen in hemelsnaam dronken?’ Neeltje kreeg bijna medelijden door zoveel naïviteit: ‘Wat denk je… Amour.’ Justina sloeg op haar dij: ‘Ik wist het! Vanaf het eerste moment voelde ik het! Die overdreven vriendelijkheid, dat valse toontje! Zo verleidt ze hen natuurlijk.’ Maar Beppie schudde haar hoofd: ‘Amour, hoezo amour?!’ Neeltje tuitte haar lippen als een klein kind: ‘Hou je van mij, lieverd?’ In haar woorden klonk een onvermoede hartstocht. ‘Geef me dan een aandenken, schatje. Een kettinkje of wat dukaten om jouw liefde nooit meer te vergeten. – En als ze niets krijgt, dan pakt ze het zelf wel,’ onderbrak Justina haar en keek grimmig naar de gesloten ramen: ‘Dan wordt zo’n heerschap uitgekleed tot op het bot. Daar zie ik haar ook nog wel voor aan. – Ach, kom nou toch!’ Onbeheerst veegde Beppie de witte kap van haar hoofd: ‘Pleunie is minstens vijftig en niet om aan te zien! – Nou en?! Geen vent die daarom maalt, hoor, na zeven pullen bier!’ Niemand leek zich af te vragen hoe een kantkloster aan zulke kennis kwam. ‘Ga maar na, Bep. Het kan bijna niet anders,’ beweerde Stien in alle redelijkheid. ‘Waar heeft zij al die jaren dan van geleefd? En waarom moest ze zonodig naar Haarlem? Werd ze in Amsterdam misschien te vaak herkend?’ Beppie liet de woorden op zich inwerken. – ‘Hoe lang is die gast al binnen? – Bijna een half uur.’ Haast triomfantelijk draaide Neeltje zich naar haar buurvrouw: ‘Zie je wel, een beroeps.’ Dat was voor Beppie de druppel. ‘Dit laten we toch niet zomaar gebeuren?!’ Ze deed geen enkele moeite meer haar stem te dempen: ‘Ons hele hofje wordt te gronde gericht door die Babylonische*cocotte*! Met haar afschuwelijke, godslasterlijke…’ Ze keek naar haar buurvrouwen, maar die waren afgeleid – ‘… weerzinwekkende…’ – door Pleuni Keller die zojuist het hofje was binnengekomen. ‘Goedemorgen dames’, klonk het op z’n Amsterdams, ‘alles in orde?’ Het drietal leek wel versmolten met de stenen pomp. ‘D’r zit een man in je huis. – Hm-hm, een schrijnwerker, omdat m’n bedstee zo kraakt.’ In de deuropening was inderdaad een oude meester verschenen en Pleuni snelde toe om hem te bedanken. Onder de verbouwereerde blikken van de achterblijvers. ‘Ja, nou hoorde ik het ook,’ knikte Beppie, ‘echt zo’n vals toontje’.

Haarlemse Hofjeskrant | Genade

Een jonge priester verschijnt aan het sterfbed van Dirc van Bakeness om hem de laatste sacramenten toe te dienen.

Genade

‘Waar is pastoor Roelofs?’ Geschrokken staart Katrijn naar de jongeling op de stoep die buiten adem zijn voorhoofd afveegt en zijn witkanten priesterkleed fatsoeneert. ‘Een hoogmis. Hij moest…’ De dienstmaagd heeft zich al omgedraaid. ‘O, lieve God!’ Met twee, drie treden vliegt ze de natuurstenen hoofdtrap op. En Thomas achter haar aan. Langs eikenhouten ornamenten en wandtapijten uit Vlaanderen, onder het glas-in-loodraam met drie Andreaskruizen. ‘Is hij… Is hij al…’ Met éen hand klemt de pas gewijde priester een riemtas tegen zich aan en probeert de meid bij te houden. Een nauwe gang door, norse portretten voorbij en dan een donkere kamer binnen. ‘Hij is toch niet…’ Thomas valt plotseling stil. Gedaanten in het schemer kijken om. De bejaarde Lijsbeth Florisdochter leunt zwaar op haar oudste zoon: ‘Waar is vader Roelofs?’ Katrijn schudt haar hoofd en de jeugdige priester schuifelt naar voren. Nerveus pulkend aan zijn zwarte stola. Naar het hemelbed overdekt met wollen lakens. En daartussen… een uitgeteerd lichaam, melkwit en zo broos, bijna doorzichtig. ‘Is hij…’ Zonder te antwoorden stapt de jongste zoon opzij en Thomas knielt neer. ‘Gloria Patri et Filio et Spiritui Sancto.’ Koortsig speurt hij naar enig levensteken, terwijl hij vier paar ogen voelt branden. ‘Moet u niet… – Ja, ja, natuurlijk.’ Met trillende vingers haalt Thomas een koperen vaatje tevoorschijn. ‘Per istam sanctam unctionem…’ Hij zalft de samengevouwen handen met Heilige Olie. ‘Indulgeat tibi Dominus…’ Eenzelfde kruisje op het omzwachtelde voorhoofd. ‘Vader, wordt mijn ziel gered?’ Thomas deinst achteruit en een doffe blik volgt hem. ‘Zal mijn geest rust vinden?’ Stilte. Buiten komt een melaatse met zijn ratel voorbij. ‘Absoluut, Dirck!’ Gloedvol buigt Lijsbeth zich naar haar man: ‘Jij hebt jouw talenten verzilverd in dit leven. Hoelang was jij geen deken van het Kerstmisgilde? En oudste schepen? Niemand heeft meer bereikt in Haarlem dan jij.’ Ze legt haar hand tegen zijn wang. ‘Maar de eersten zullen de laatsten zijn, niet priester?’ Met onrustige ogen zoekt de grijsaard steun bij Thomas en die stamelt: ‘Oprecht berouw verschoont iedere zonde. – Mijn vader heeft nooit iets misdaan!’ De jongste zoon is opgesprongen. ‘Jan, alsjeblieft! – Tegen niemand! Behalve misschien die bastaard van Oosterwijck. Maar die vroeg erom, toch?!’ Zijn broer grijpt de knokige hand die in het laken klauwt: ‘Papa, toon berouw in Godsnaam en vraag vergiffenis!’ De oude Dirck hapt piepend naar lucht. ‘Woorden… woorden…’ Zijn zoon drukt een onstuimige kus op beide polsen. ‘Zo wordt u verlost van alle schulden. – Die heeft hij niet!’ Machteloos slaat Jan tegen een bedstijl. ‘Doen… Ik moet iets…’ Het bevende lijf tracht zich op te richten. ‘Dirck, nee!’ Verschrikt schiet Lijsbeth toe. ‘Anders neemt hij me mee… – Wie, papa, wie?’ Met opengesperde mond kijkt Dirck de duistere ruimte rond. ‘Voel je die kilte niet…’ Iedereen luistert. Onbewust tast Thomas naar zijn bidsnoer. ‘Hoor ‘m sluipen… – Heilige Maagd Maria,’ huivert Katrijn. ‘Daar komt hij weer… loeren… en plukken…’ In doodsangst omklemt Dirck zijn oudste kind. ‘Libera nos, Domine, ab omnibus malis! – Troost hem dan,’ smeekt Lijsbeth in tranen. ‘Beloof dat hij behouden blijft.’ Thomas slaat een kruis: ‘Alles ligt in Gods Hand.’ Een kaars flakkert. Uitgeput zakt Dirck weer terug. ‘We zullen bidden voor uw zielerust, papa. En de paupers van Haarlem ook. Toch, priester?’ Thomas aarzelt. ‘Of zijn die hun aalmoezen alweer vergeten? – Ze krijgen onderdak.’ De jongeman kijkt verwonderd opzij. ‘Een gebouw aan de Krocht en de Albstraat… Coen Cuser van Oosterwijck heeft het geschonken.’ Een moment van ontzetting. ‘Die smeerlap!’ Jan trilt van woede. ‘En een stuk pachtgrond onder Houtrijck om het te bekostigen. – Die schoft!’ Buiten zichzelf beent de jongste zoon door het vertrek. ‘In ruil moeten de bewoners bidden voor hun weldoeners tijdens hun dagelijkse mis.’ Lijsbeth kijkt hem aan: ‘Vader Roelofs?’ Thomas knikt. ‘Zelfs nu wil die ploert van Oosterwijck nog de beste zijn.’ Verslagen zinkt Jan neer. ‘Dat armenkoor zal ons gebed overstemmen,’ stamelt zijn broer. ‘Zo vindt papa nooit genade.’ In stilte verzamelt Katrijn de vuile zwachtels: ‘Ik moet… de keuken.’ Ze laat het gezin roerloos achter rond het bed. Buiten kleppert weer een ratel. Thomas aarzelt: ‘Misschien… er is een manier…’ Hij geeft Lijsbeth een document uit zijn tas: ‘Kijkt u zelf maar…’ Als hij is vertrokken, komt Jan overeind: ‘Wat staat er?’ Zijn moeder laat het papier zakken en kijkt hem bedachtzaam aan: ‘Een schets… acht en tweemaal zes… de Dirck van Bakenesse Cameren.’

Haarlemse Hofjeskrant | Erfenis

De regenten hebben een uitbundige begrafenis voor de overleden Cornelia geregeld, toen bekend werd dat zij een fortuin aan het hofje zou nalaten.

Een zoete dood

‘Cornelia Hartesuyker was een braaf besje. Een sieraad voor ons hofje!’ Regent Jeronimus Klarenbeek pauzeerde even alsof de emoties hem teveel werden, hoewel hij het lieve mens nog nooit had ontmoet — niemand van het regentencollege trouwens, maar toch waren ze allemaal naar haar begrafenis in de Nieuwe Kerk gekomen. Zelfs regentes Magdalena Penninck had met droef gezicht aan het graf in de zuidertrans gestaan en was vergeten hoe de andere bewoonsters zich wekenlang bij haar hadden beklaagd: ‘Cornelia behoeft zoveel zorg, wij kunnen het niet meer aan. Stuur haar alstublieft naar het Diaconiehuis!’ Maar zover was het gelukkig nooit gekomen. ‘Een engel is van ons heengegaan.’ Jeronimus hief eerbiedig zijn glas naar de hemel, alsof hij Cornelia daar nog zag zweven — of misschien keurde hij wel de wijn, en alle toehoorders aan de lange tafel in de hoftuin mompelden instemmend, terwijl nieuwe flessen werden opengetrokken en plakken krentenbrood rondgedeeld. Wijn en krentenbrood, toemaar! Jarenlang waren de preuves niet meer verhoogd: drie stuivers per week — hoe moest je daar in Godsnaam van rondkomen? Bovendien hadden ze dit jaar de traditionele zak met zout niet gekregen en moesten hun huisjes worden verwarmd met een zielig hoopje turf. Geen wonder dat de regenten zich de laatste maanden nauwelijks meer in het hofje hadden vertoond. En nu ineens krentenbrood en geen bier zoals gewoonlijk, maar wijn! Voor een armzalig schepsel dat tijdens haar leven nooit iemands aandacht had getrokken. Behalve in haar stervensuur dan. Want toen had Cornelia gefluisterd tegen opzichteres Geertje Dekker: ‘Een legaat… tweeduizend gulden… een tuintje… tachtig roeden… in het Rozenprieel.’ En op haar laatste ademtocht: ‘… alles voor het hofje…’ Natuurlijk was Geertje meteen naar de regenten gesneld, waar het nieuws van Cornelia’s verscheiden met gepaste treurnis werd ontvangen, maar zodra de opzichteres was vertrokken, konden de heren een jubelstemming nauwelijks onderdrukken. ‘Tweeduizend gulden!’ — ‘En een flinke lap grond!’ Na alle jaren van stijgende kosten en onmogelijke bezuinigingen, was zo’n meevaller meer dan welkom. ‘Eindelijk kunnen we de glas-in-lood ramen vervangen!’ — ‘En de oudjes, geven we die nog iets?’ — ‘Natuurlijk! Een zakje zout.’ Terwijl de begrafenismaaltijd nog in volle gang was, gebaarde Jeronimus naar Geertje om alvast te beginnen met de ontruiming van het vrijgekomen huisje. Niet dat hij oneerbiedig wilde lijken, maar hoe eerder hij het legaat in handen had, hoe liever. Magdalena kwam naast hem staan — toch bang dat haar gerespecteerde medebestuurder er met het fortuin vandoor zou gaan. Opeens een opgetogen geroezemoes. Een dampende rollade werd op tafel gezet. ‘Vlees! Echt vlees!’ Even waren de bewoonsters de treurige aanleiding vergeten en schoven vrolijk hun borden naar voren. Verwonderd keek Jeronimus naar de regentes naast hem, maar die haalde haar schouders op: ‘Och, moet toch kunnen, een keertje?’ In de deuropening voor hen was Geertje verschenen met een bundel wasgoed en een stapeltje zwarte jurken. ‘De rest hoort bij het huis.’ Haar woorden leken niet meteen door te dringen. ‘Maar… was er niet meer?’ — ‘Jawel, nog éen jurk, maar daarmee ligt ze in haar kist.’ Ongeduldig stormde Jeronimus de woning binnen om het zelf in ogenschouw te nemen, terwijl Magdalena nauwkeurig de kleding in Geertjes handen uitploos of daar geen papieren waren verborgen. ‘Er moet toch geld zijn of tenminste een eigendomscontract?’ Jeronimus beklopte de ruwe planken van de bedstede en vloog de steile trap op naar zolder. Ondertussen was ook Magdalena binnengekomen en keek verafschuwd om zich heen. Wat een naargeestig hol! De muren waren beschimmeld en het tochtte aan alle kanten. Hoe kon je hier leven? Ontgoocheld sjokte Jeronimus weer naar beneden en zakte op een kruk neer: ‘Geen rooie rotcent. Dat mens kletste maar wat.’— ‘Misschien door de koorts?’ Een ogenblik zwegen beiden verslagen — en dit keer oprecht. ‘O, mijn hemel, hoeveel geld hebben we niet uitgegeven aan die begrafenis? Een kist, een doodskleed, een koets!’ De regent wreef vermoeid in zijn ogen. ‘Zelfs een feestmaal ter ere van dat secreet! Vlug, laten we het vlees weghalen!’ Maar Magdalena bleef voor het raam staan kijken naar de oudjes in de tuin die werden aangespoord door Geertje om het overgebleven voedsel mee te nemen. Opeens voelde de opzichteres zich bespied. Ze draaide zich om naar de regentes achter het raam. En die moest glimlachen.

Flikken Maastricht | Aflevering 39 | Scène 55

INT. POLITIEBUREAU / KANTOOR HOEBEN / DAG

MARION is intussen volledig murw door de eindeloze klaagzang van PIETER HOFMAN. HOEBEN blijft onverstoorbaar glimlachen.

PIETER HOFMAN

En alsof dat nog niet voldoende is, word ik tegen de grond gesmeten!
Hij laat zich terugvallen in zijn stoel.

HOEBEN

(Tegen Marion) Nu mag jij.
Stilte. Buiten het kantoor heerst totale hectiek in de kantoortuin en zijn AGENTEN koortsachtig aan het werk.

MARION

Meneer Hofman…
MARION buigt zich naar voren en zoekt naar de juiste woorden.

MARION (CONT.)

Dat u ons voortdurend klachten stuurt… is heel… heel…
Het gezicht van PIETER verstrakt. HOEBEN kucht.

MARION (CONT.)

… prijzenswaardig.
Stilte. HOEBEN knikt instemmend. PIETER kijkt argwanend.

MARION (CONT.)

Was iedereen maar zo oplettend en zo… betrokken als u.
PIETER draait wat ongemakkelijk op zijn stoel.

MARION (CONT.)

Dan zou de politie het een stuk gemakkelijker hebben.

HOEBEN

Een stuk!

MARION

Dat ik u heb laten vallen, was fout. Fout-fout-fout. Dat had u niet verdiend.
Door de onverwachte toon raakt PIETER van zijn apropos.

PIETER

Ach, ik doe wat ik kan.

HOEBEN

En dat stellen wij zeer op prijs.

MARION (CONT.)

Als ik dat niet meteen liet blijken, dan spijt me dat verschrikkelijk.
Ze pakt haar kaartje en schuift het naar PIETER toe.

MARION (CONT.)

Dus als u weer iets opmerkt… hier, laat het me direct weten.
PIETER knikt. Volkomen uit het veld geslagen door zoveel sympathie. MARION schudt zijn hand en daarna HOEBEN.

HOEBEN

Doen, hoor!

Flikken Maastricht | Aflevering 39 | Scène 48

Wolfs heeft niet kunnen voorkomen dat de vermoedelijke dader van een reeks verkrachtingen halfdood wordt geslagen.

INT. HUIS FRANCOIS KORENAAR / SLAAPKAMER / DAG

WOLFS heeft een laken van het bed getrokken en scheurt dat aan flarden. Hij probeert het bloeden van FRANCOIS te stelpen.

WOLFS

Jezus, man, wat heb je gedaan?

DAVE

Hij heeft z’n verdiende loon gekregen.

WOLFS

En jij straks ook. Je bent aangehouden. Ga je ouders maar bellen.
DAVE blijft zitten en kijkt hoe WOLFS probeert de wonden van FRANCOIS te verbinden.

DAVE

Laat ‘m toch kreperen.

WOLFS

Dan hang jij voor moord.

DAVE

Je hebt toch gezien wat hij met Sonja heeft gedaan? Die schoft.
De tranen schieten in zijn ogen.

WOLFS

Je had het aan ons moeten overlaten.

DAVE

En dan?! Een jaartje gevangenis en hij staat weer op straat. Zo gaat dat toch in Nederland?!
Met beide handen drukt WOLFS een hoofdwond aan. In de verte klinkt de sirene van een ambulance.

DAVE (CONT.)

Dan kan hij de volgende pakken.

WOLFS

O ja?! Hoe weet jij zo zeker dat hij het was?

DAVE

Hij is meermaals veroordeeld voor verkrachting.

WOLFS

Dat was tien jaar geleden!

DAVE

Hij is conciërge op onze school. Dat kan toch geen toeval zijn?!
WOLFS ziet dat FRANCOIS iets prevelt en buigt zich voorover.

WOLFS

Wat zegt u?

FRANCOIS

Or…dekt…

WOLFS

Ik begrijp u niet.

FRANCOIS

Org… dekt… mie…

DAVE

Dat zegt hij de hele tijd al. Ik begreep het ook niet.

WOLFS

Orchidectomie, sukkel. Hij is gecastreerd.

Flikken Maastricht | Aflevering 38 | Scène 18

Tijdens een inbraak­preventie­campagne hebben Marion en nieuw­komer Daan een inbreker rustig zijn gang laten gaan.

INT. POLITIEBUREAU / KANTOORTUIN / DAG

Het ongelovige gezicht van HOEBEN.

HOEBEN

Okee, nog éen keer: wát is er gebeurd?!

MARION

Nou, wij duwen die deur open en daar staat de bewoner, dachten wij.
Naast MARION zit een norse DAAN als een bezetene met éen vinger op ENTER te toetsen, waardoor allerlei foto’s van criminelen op de computer voorbij komen.

MARION (CONT.)

Maar het bleek een inbreker.

HOEBEN

Heterdaadje dus. En toen?

MARION

Ja, wisten wij veel.

HOEBEN

Toen hebben jullie een wit voetje voor ‘m neergelegd?!
De AGENTEN om hen heen houden hun gezicht nog net in de plooi. Zonder zijn concentratie te verliezen klikt DAAN verder.

DAAN

Als hij hier tussen zit, vinden we hem zo, want we hebben hem allebei goed gezien.

ROMEO

Jullie zijn niet de enigen.
Met een uitgestreken gezicht komt ROMEO met een aantal enqueteformulieren van het buurtonderzoek erbij staan.

ROMEO (CONT.)

Meerdere bewoners hebben maar liefst twee inbrekers gezien. Gedroegen zich heel verdacht.
Achteloos bladert hij door de formulieren heen.

MARION (CONT.)

(Leest) Een dikke en een vrouw. Allebei in politieuniform.
Verderop in de kantoortuin wordt een lachtstuip onderdrukt. DAAN kijkt ROMEO vernietigend aan.

DAAN

Heel grappig, dankjewel.
ROMEO haalt een nieuw formulier tevoorschijn.

ROMEO

De technische jongens hebben wel een handafdruk op de voordeur gevonden, maar die leverde nog geen match op.
MARION pakt het formulier op.

MARION

Ik heb wel een idee van wie die is.
HOEBEN en ROMEO kijken haar vragend aan.

DAAN

Van mij.
Nu schieten meerdere AGENTEN in een lachstuip.

HOEBEN

(fel) Wat is hier zo grappig aan?!
Het gelach bedaart onmiddelijk.

DAAN

Ik heb die deur opengeduwd.

HOEBEN

Het is toch niet te geloven!

MARION

We zullen er echt alles aan doen…

HOEBEN

Dat gaan jullie zeker! Eén dag, dan hebben jullie die vent gevonden.
Hij loopt naar zijn kantoor.

HOEBEN (CONT.)

(Voor zichzelf) Preventiecampagne noemen ze dat! Straks zijn we snotdomme het enige korps waar het aantal inbraken is toegenomen!
Hij knalt zijn kantoordeur dicht. ROMEO grijnst naar MARION.

ROMEO

O, jullie vinden hem vast!
Opgewekt loopt hij weg en MARION draait naar DAAN toe.

MARION

En? Zat hij ertussen?
DAAN schudt z’n hoofd.

Flikken Maastricht | Aflevering 37 | Scène 17

Wolfs en zijn partner Eva verschillen van mening over de oorzaak van een sterfgeval. In bijzijn van hun chef Hoeben lopen de spanningen tussen beiden op.

INT. POLITIEBUREAU / KANTOOR HOEBEN – DAY

HOEBEN trekt de deur van zijn kantoor dicht en gaat achter zijn bureau zitten. Tegenover WOLFS en EVA.

HOEBEN

En?

WOLFS

Moord.

EVA

Zelfmoord.
HOEBEN fronst zijn wenkbrauwen.

HOEBEN

Hebben jullie wel overlegd?

EVA

Het is zelfmoord. Honderd procent.
WOLFS schudt zijn hoofd en kijkt weg.

EVA (O.S. CONT.)

Er waren geen sporen van geweld.

WOLFS

Maar wel een schaafwond!

EVA

Die heb ik ook! Dat zegt toch niks?!
HOEBEN gebaart WOLFS met zijn hand om even stil te blijven.

EVA (CONT.)

Harold was depressief. Zag het leven niet meer zitten-

WOLFS

Dan hang je jezelf op of je slikt een berg slaaptabletten, maar niet in de Maas-

HOEBEN

Wolfs, alsjeblieft-

EVA

(Tegen Wolfs) Hij hield van zijn vrouw en wilde zonder haar niet meer leven!
Smalend schudt WOLFS zijn hoofd.

EVA (CONT.)

Maar daar kun jij je natuurlijk geen moer bij voorstellen!

WOLFS

Harold had een kind en dat laat je nooit in de steek! Maar daar snap jij weer geen zak van!

HOEBEN

(gealarmeerd) Jongens, jongens, laten jullie elkaar wel heel?
Gespannen stilte. Op dat moment gaat de mobiel van WOLFS.

WOLFS

(in mobiel) Wolfs? (…) Ja, ik luister.
EVA kijkt nors voor zich uit.

HOEBEN

D’r is al genoeg geweld op straat. Laten wij het in godsnaam een beetje beschaafd houden.

WOLFSIn Mobiel

Helemaal goed! Bedankt.
Hij bergt zijn mobiel op. EVA kijkt opzij.

WOLFS (CONT.)

Was niks. Andere zaak.

EVA

Je liegt het! Dat was de patholoog!

WOLFS

Ach, welnee. Nu mag ik. Volgens mij is Harold vermoord, omdat-

HOEBENrustig

Wat zei de patholoog?
Stilte.

WOLFS

Harolds bloed had een promillage van éen komma zes en daarop is de autopsie beëindigd.
HOEBEN knikt.

HOEBEN

Dan houden we het op een ongeluk.

Flikken Maastricht | Aflevering 37 | Scène 11

Tijdens hun eerste opdracht ergert Romeo zich dood aan zijn nieuwe partner.

EXT. WINKELCENTRUM / MODEWINKEL – DAY

Welgevormde etalagepoppen in zomerse kleding in een etalage.

TWAN (O.S.)

Het is gajes! Stuk voor stuk!
In de deuropening van een modezaak staat eigenaar TWAN KRONENBURG (44) en knikt met ingehouden woede in de verte.

TWAN (CONT.)

De hele dag hangen ze hier rond. En maar zeiken en klieren. Zo gaat dit hele winkelcentrum eraan!
ROMEO staat naast TWAN, maar hij staart voor zich uit en lijkt met zijn gedachten heel ergens anders.

TWAN (CONT.)

Ik durf zelfs geen rekken meer buiten te zetten, want die worden meteen geplunderd!
Nu pas wordt duidelijk waar ROMEO naar kijkt: DAAN draagt voor het eerst een politieuniform en bekijkt zichzelf onwennig in de etalageruit. Eerst de ene schouder naar voren, dan de andere. Hij trekt aan zijn mouwen, verplaatst z’n pet.

TWAN (CONT.)

Want ze zijn hondsbrutaal, dat stelletje! Hebben voor niks of niemand respect!
ROMEO ergert zich dood.

TWAN (CONT.)

Luistert u eigenlijk wel?!
ROMEO schrikt op.

ROMEO

Ja. Ja. Over wie heeft u het?

TWAN

Over hen, natuurlijk!
Hij wijst. Een eind verderop heeft een aantal OUDEREN plaatsgenomen op bankjes. Naast hen zijn rollators en bejaardenscooters geparkeerd.

ROMEO

Maar… dat zijn bejaarden?!

TWAN

Loeders zijn het. En ze zouden een samenscholingsverbod moeten krijgen!

Flikken Maastricht | Aflevering 37 | Scène 6

Romeo heeft zojuist te horen gekregen dat niet hij een functie bij de recherche krijgt, maar een buitenstaander zonder enige politie-ervaring.

INT. POLITIEBUREAU / KANTOOR HOEBEN – DAY

De deur zwaait open en ROMEO valt het kantoor binnen.

ROMEO

(verontwaardigd) Ik hoor net dat er iemand wordt klaargestoomd voor de recherche?!

HOEBEN

Ook goedemorgen, Romeo.
Vanachter zijn bureau kijkt HOEBEN op en legt zijn pen neer.

ROMEO

Een buitenstaander zonder enige politie-ervaring!

HOEBEN

Een zij-instromer, ja.

ROMEO

Maar ik dan?! Waarom moet ik jarenlang ervaring opdoen en mag een ander meteen bij de recherche?! Ben ik soms niet goed genoeg?!

HOEBEN

Integendeel. Jij bent zo goed, dat je hem zelfs mag inwerken.

ROMEO

WAT?!

HOEBEN

Hij moet eerst de straat op. Voor wat ervaring.

ROMEO

Maar dat is… Dat is…

DAAN (O.S.)

Hoofdinspecteur Hoeben?
HOEBEN en ROMEO kijken naar de deuropening, waar juist DAAN in burgerkleding is verschenen.

HOEBEN

Ja?

DAAN

Daan de Vos. Ik moest me bij u melden.
HOEBEN veert meteen overeind.

HOEBEN

O, je bent er al! Welkom!
Hij drukt DAAN de hand en gebaart richting ROMEO.

HOEBEN (CONT.)

Dit is Romeo en die gaat jou de komende weken inwerken. In het blauw.
DAAN knikt ROMEO vriendelijk toe, maar die bekijkt hem misprijzend van top tot teen.

HOEBEN (CONT.)

Hij staat al te popelen.

Flikken Maastricht | Aflevering 37 | Scène 5

Van afstand slaat Wolfs het sporenonderzoek gade, omdat hij niet met zijn nieuwe laarzen door de modder wil lopen.

EXT. MAASOEVER – DAY

De auto van WOLFS rijdt over een eenzame weg langs de Maas. Aan de rand van het water bekijken twee FORENSISCH ONDERZOEKERS in witte overalls het aangespoelde lichaam van HAROLD DECLEIR. De auto van WOLFS komt naast hun auto tot stilstand en EVA en WOLFS stappen uit.

WOLFS

Geweldig.
Zijn voet zakt weg in de zompige grond. Tevergeefs zoekt WOLFS een ‘droge’ manier om onderaan de oever te komen.

EVA

Geef ‘ns een hand.
WOLFS reikt haar de hand. Glijdend en wegzakkend in de drassige grond daalt EVA de helling af.

EVA (CONT.)

Kom maar.
Ze steekt beide handen uit om WOLFS op te vangen.

WOLFS

Nee, kijk jij maar. Ik vertrouw je wel.
Een koele blik van EVA.

EVA

Heren, wie hebben we hier?

SCHOUWARTS

Harold Decleir, ambtenaar van de gemeente Maastricht. Z’n pasje.
Hij overhandigt EVA een plastic zakje met daarin een doorweekt gemeentepasje met de pasfoto van Harold.

EVA

(leest) Toezichthouder ruimtelijke ordening.

WOLFS

(roept) Moord zeker?
EVA en de FORENSISCHE ONDERZOEKERS negeren hem.

SCHOUWARTS

Langer dan twaalf uur heeft hij er niet in gelegen.
Hij wijst naar het schuim rond de mond van HAROLD.

EVA

Sporen van geweld?

SCHOUWARTS

Alleen een flinke schaafwond.
Hij toont het achterhoofd van HAROLD.

EVA

Van een klap?

SCHOUWARTS

Of een brugpijler toen hij sprong.
EVA komt overeind.

EVA

Zelfmoord dus.

SCHOUWARTS

Dat hoop ik te weten na de autopsie.
EVA knikt en beklimt moeizaam de steile, modderige helling.

WOLFS

Wat zeiden ze? Moord?
Hij steekt zijn hand uit om EVA omhoog te trekken, maar zij negeert zijn hulp en beklimt de oever zelf.

WOLFS (CONT.)

Of was het een ongeluk?
Bestuderend kijkt hij de omgeving rond, terwijl EVA haar handen afveegt en naar de auto loopt. WOLFS komt achter haar aan.

WOLFS (CONT.)

Dan kan hij zo’n beetje van iedere brug zijn gevallen. Kennedybrug, Wilhelminabrug, Hoge Brug…
Hij gaat achter het stuur zitten en trekt het portier dicht.

WOLFS (CONT.)

Wat denk jij?
EVA trekt haar portier dicht en knikt omlaag.

EVA

Nieuwe laarzen?